Je kon er je wildste consumptiedromen in vervulling laten gaan, maar echt gelukkig werd je er nooit. Las Vegas bracht je elke avond in een roes, maar de volgende ochtend werd je steevast met een kater wakker. Hoe leeg kon lol zijn? Sinds half december neemt het Vreemde Staten reisverhaal jullie mee op een spannende ontdekkingstocht door de Verenigde Staten aan het begin van de eenentwintigste eeuw. Het reisverhaal is tevens het verslag van mijn persoonlijke belevenissen in elf verschillende staten: Illinois, Colorado, Utah, Nevada, New Mexico, Arizona, Californië, Louisiana, Georgia, Virginia en Washington DC. Nieuwe hoofdstukken verschijnen nog gedurende de gehele maand januari. Dit is aflevering 16: glitter zonder glans.
LAS VEGAS- We hoefden niet meer vroeg op, ver te rijden en veel te zien. Nu we in Las Vegas aangekomen waren, het grote, grote openluchtpretpark dat als een bol van licht uit de dorre woestijn oprees, begon het laatste deel van de reis. Voor Roderick zou Las Vegas tevens het eindstation zijn; ik zou nog doorreizen naar twee regio’s die vooralsnog aan mijn aandacht waren ontglipt: het diepe zuiden en de zogenoemde ‘Capitol Region’ rond Washington DC.
Als ik na meer dan twee weken rondreizen nog niet genoeg was losgekomen van de dagelijkse realiteit van Madison, dan was Las Vegas de definitieve ‘wake-up call’. Surreëel was een understatement, maar ik had telkens het gevoel dat de juiste bijvoeglijke naamwoorden ontbraken om precies te beschrijven hoe deze nepstad eruit zag. Surreëel dus dan maar, bij gebrek aan beter.
Je rijdt de stad binnen en je wordt welhaast meteen omver geblazen door het licht, het geluid, de motie van mensen, getallen, hoeren en pooiers, elite en schooiers. We rijden vanaf het vliegveld naar het centrum, een afstand van amper een mijl. En dan begint het: de lange rechte tienbaanssnelweg leidt rechtstreeks naar een oceaan van licht, waarlangs een eindeloze rij slaapkastelen, goktempels en winkelpaleizen is opgebouwd. Dit is het hart van Las Vegas, dit heet De Strip.
De Strip is met niets ter wereld te vergelijken en als je er niet geweest bent, is het derhalve moeilijk je er een voorstelling van te kunnen maken. De verbazing van het eerste uur is echter gewenning geworden aan het einde van de eerste dag, wordt onverschilligheid op de tweede en irritatie op de derde. Hoe kon dat zomaar gebeuren?
Roderick en ik kwamen op zondag in Las Vegas aan, nadat we de vorige dag nog in de mooie, maar grauwe Grand Canyon hadden getuurd. Het contrast tussen die triomf van de natuur op de vorige dag en de zege van de nep een dag later kon natuurlijk niet sterker zijn. We reden rond het middaguur Las Vegas binnen en waren op tijd om ons naar één van de champagnebrunches te begeven. Die worden tijdens de weekeinden bijna overal in Las Vegas gehouden. Het motto is: drink zoveel (champagne) als je wilt en schrans je ongans in wilde zalm, krab en kalkoen. De praktijk is: ik wil wel weer mijn bordje volscheppen, maar ojee, ik kan niet meer. Gevolg: je gaat eigenlijk nooit met een voldaan gevoel weg, want je kwam niet meer toe aan het eten van datgene wat je het lekkerste leek; en na een paar uur ben je dan dus misselijk, vaak van de simpele croissantjes met jam, die je als voorgerechtje had willen nemen, maar voorgerecht, hoofdgerecht en nagerecht ineen werden.
Het buffet dat we hadden uitgekozen bevond zich in het Luxor, een reusachtige piramide, wier weerspiegelend glazen omhulsel in het zonlicht flikkerde. Deze soms potsierlijke, soms intimiderend mooie recreatie van oud Egypte, met een reusachtige sfinx uit gezandstraald marmer voor de ingang, is één van de eerste gebouwen aan De Strip, vlakbij het vliegveld, en representatief voor de rest van Las Vegas. Gokhal op de begane grond, luxueuze suites in de nok van het gebouw. Nachtclub, cocktailbars, restaurants, grote Egyptische beelden, met hiërogliefen ingelegde zuilen, buffet. Lekker gokken, schransen, zuipen, dansen en ’s nachts, als je daarna nog puf over hebt, een hoer naar je kamer laten komen om de dag op gepaste wijze mee af te sluiten. Het leven moet vooral leuk zijn, en leuk is hier ongecompliceerd.
Het buffet was goed, de champagne goedkoop. We zwalkten vol, maar amper voldaan, naar buiten en proefden de sfeer in de overige casino’s. De meeste volgen een bepaald thema en alle casino’s waren hotels, winkelparadijzen, nachtclubs en brasseriën ineen. Een reusachtige achtbaan scheerde door de lucht, langs een recreatie van een tiental wolkenkrabbers uit New York. Hier stond ook het World Trade Center nog fier overeind, aan de voet van een bordkartonnen vrijheidsbeeld. Even verderop rees een groenkleurige kolos op, vele voetbalvelden groot, met een brullende goudkleurige leeuw van filmproductiehuis MGM ervoor. Aan de overkant van de straat de Eiffeltoren en een namaak Arc de Triomf. Landerige atmosfeer, Bourgondische levensvreugde binnenin. Een nageboetseerd Frans dorpspleintje, omzoomd door boetiekjes en galerietjes, de luifeltjes zwijgend in de bedompte lucht van het binnentheater. We steken de straat weer over, via een luchtbrug, waar het verkeer, tienbaans sterk, onder door raast. Hier bevindt zich het ‘Bellagio’, een verminkte samentrekking van het Italiaans voor ‘mooi meer’. Het meer is mooi, en vooral groot. Fonteinen dansen op de tonen van Italiaanse symfonieën. Alles is hier verpletterend, lang niet alles mooi, maar het feeëriek dartelen van de tientallen meters hoge waterstralen doet ons eventjes oprecht in bewondering verstommen. Het Bellagio is op en top chic, net als de meeste andere gebouwen die langs de Strip gedurende het voorbije decennium zijn gebouwd. De megalomane constructies hebben hier een korte levensduur. Na een jaar of twintig komt de sloophamer ongenadig langs. De wil van het kapitalisme is dan al weer voortgeschreden. De winsten zo torenhoog gebleken, dat er allang weer financiële armslag is om nog maar eens een nieuw gebouw uit de grond te stampen. Ook nu, in het midden van de kredietcrisis, wordt er in Las Vegas lustig doorgebouwd. De gokkasten blijven ratelen, dag en nacht, geen recessie kan ze tegenhouden. In het Bellagio verliest Roderick liefst twintig dollar aan de roulettetafel. De hoop om rijk te worden, heeft precies 53 seconden stand gehouden. De geldmolen draait hier door omdat de hoop van mensen om ooit in 53 seconden rijk te worden niet te vernietigen is. Misschien wakkert de recessie die naïeve hoop alleen maar verder aan.

Soms was het werkelijk mooi, het aangezicht van Las Vegas. Zoals hier bij de dansende fonteinen van het Bellagio.
In het Paleis van Ceasar, geen culturele schat, maar een eufemisme voor nog maar weer een casino, vergapen we ons aan de gewelfde winkelgalerijen, volgepropt met nepmarmeren beelden van Romeinse goden. We schuifelen onder een plafond met machinaal aangebrachte schilderingen langs reproducties van Rome’s bekendste fonteinen, en staren wezenloos in de etalages. Alles buiten ons budget en alles buiten ons interessegebied. Ik stop één cent in een gokkast. Nederlandse zuinigheid. Na een halve minuut heb ik er zowaar 23 eurocent van gemaakt. Extase. De meeste anderen die hier lusteloos achter de hendels zitten, met lodderogen loensend naar het draaien van de kersjes, peertjes en getalletjes, zijn het punt om in euforie te ontbranden reeds lang geleden gepasseerd. Ze hebben hier vaker gezeten, verraadt hun voorkomen. Routineus geven ze de hendel een sjor; anderen drukken monotoon op de ‘herhaal inzet’ knop. Het tientje dat ze vijf minuten geleden in de machine stopten, is al gehalveerd. Boven de machine flikkert het neonlicht ‘win 16.000 dollar’ onverminderd voort. Wat drijft deze mensen, vraag je je onwillekeurig af. Maar op die vraag krijg je nooit een antwoord, vermoedelijk omdat die mensen, als ze goed en helder na zouden denken, het ook niet zouden weten. Maar dat is nu juist het punt. De glitter van Las Vegas vernauwt het realiteitsbesef van mensen tot zulke enge proporties dat zij, gedreven door de grillige impulsen die de verlokkingen van het grote geld in hun losmaken, blijven geloven in de naïeve droom ooit van een dollar een fortuin te maken.
De glitter van Las Vegas is alomtegenwoordig, maar het is een glitter zonder glans. Op dinsdag, de derde dag in Las Vegas, was Roderick vertrokken. Hij vloog maandag via New York terug naar Nederland. Ik zou nog negen dagen alleen in de Verenigde Staten verblijven. En ik had het inmiddels steeds meer gehad met de uitwassen van dit in zoveel opzichten bespottelijke land. Las Vegas, hoewel niet geheel representatief voor de rest van de Vreemde Staten, verenigde wel veel Amerikaanse tekortkomingen in zich. De tranentrekkende triomf van het oppervlakkige en het materiële bijvoorbeeld. Geestdodende pret is kortdurende pret, maar dat weten hier maar weinigen. In Las Vegas moet je niet te lang verblijven, maar Amerikanen zijn verrassend resistent tegen de deerniswekkende draaikolk van zinloos amusement waar je hier in verdrinkt. En dus komen ze steeds weer, en gaan ze steeds maar weer naar die ‘all you can eat’ buffetten, gokken ze keer op keer aan dezelfde machines en wanen ze zich telkenmale voor heel even de koning van hun eigen Egyptische, Romeinse of Venetiaanse droomwereld. Maar die droom is een luchtbel. En die had ik na drie dagen allang lek geprikt.
Op dinsdag wilde ik souvenirs kopen voor de thuisblijvers. Er waren souvenirwinkels genoeg. Maar tsja, wat moest ik in godsnaam kopen? ‘ ’s Werelds grootste souvenirwinkel’ gilde een uithangbord. Ik doolde er verdwaasd rond, groef mistroostig in de stapels uit China geïmporteerde t-shirtjes met goedkope glitteropdruk. Mijn ogen gleden langs de rekken met breekbare mokken, Las Vegas sokken, armetierige kaartspelen en wegwerpaanstekers. Zelden zoveel troep bijeen gezien. Ik verliet ’s werelds grootste souvenirshop in een ongekend neerslachtige stemming. Ik liep De Strip nog maar eens af. De piraten van het piratencasino vlogen andermaal door de lucht, van mast naar mast op hun nagebouwde piratenschip. Ik het schemer van de vroege avond ontbrandde de kunstvulkaan van het tropische themacasino nog maar eens. Het vuur, dat danste op het water van de vijver waarin de vulkaan gebed was, steeg meters hoog de koude winterlucht in. Mijn wangen gloeiden een beetje in de warmte die het vuur verspreidde. Maar verder bleef ik onbewogen en ongeroerd. Las Vegas doet de wangen gloeien, maar het hart blijft koud.
Als de zon onder is gegaan, verschijnen de indianenvolkeren op straat. Het was één van de walgelijkste aangezichten van de gehele reis. Gedrongen mensen, in warme mantels gehuld tegen de kou, gaan bijna geheel schuil achter de flikkerende lichtkasten waar ze tussen in geklemd zijn. Op die mobiele lichtkasten naakte vrouwen. En een telefoonnummer. In twintig minuten bij je thuis. Bel snel. Met kleine kartonnetjes stormen de indianen, vele honderden en nog eens honderden, op passanten af. Ritsel, ritsel, kijk eens, kijk eens. Iedere man een potentiële pooier. Pret eindigt in Las Vegas met een slet in bed. Of ik 800-277-277 wil bellen? Kost niets. Het bellen dan. De vrouw 60 euro voor een uurtje. Meekomen naar de hete paaldansers? Kan ook. Om de hoek. Erotisch amusement. De hele dag door. Of naakt cabaret. Het klinkt te vulgair om er serieus bij stil te staan.
Korte zinnen, de pulserende druk van een stad die nooit stopt en amper de tijd neemt te ademen. Overal gebeurt er iets, maar feitelijk gebeurt er niets. Want niets van wat hier gebeurt, laat een stempel achter op het verhaal van de wereldgeschiedenis. Het is luchtig vermaak, het is vluchtig plezier. Ik vlucht na drie dagen met een bedrukt gemoed naar New Orleans. Daar wacht de volgende kennismaking met duister Amerika: de onheilsplek waar orkaan Katharina zwart Amerika in 2005 in haar boezem trof. Het is een ietwat verontrustend vooruitzicht.





Ik heb ook in Luxor gezeeeheeeten!! =)
Ooh Hansje, ik wil snel een keer weer met je babbelen!!